Tafel Tour / Table Tour

web01web01b

Uitgever     :   Es-ES-ES – Voorburg – Nederland
Jaar             :    jaren ’50 ?
Maker         :   ?

Het kan gespeeld worden van 2 tot 6 spelers. Het spelmechanisme is niet via dobbelstenen, maar de verplaatsing gebeurt aan de hand van kaarten met waarden erop. Het is één van de oudste spellen die dit mechanisme gebruikt. Het speelbord is 50 x 32 cm.

sp4501

Elke speler heeft een ploeg van 2 of 3 renners waarvan 1 de kopman is. Zoals gezegd gebeurt de verplaatsing door het uitspelen van een cijferkaart. De speelvolgorde is de volgorde die de renners op het parcours hebben. Na elke spelbeurt worden de verplaatsingskaarten aangevuld. Er is een voordeel bij in het wiel rijden; de renner die in het wiel rijdt kan volgen met een kaart met een waarde die 1 minder is dan die van de te volgen renner. Bij de ravitaillering kunnen extra kaarten omgeruild worden. Op bepaalde vakjes worden pech- en premiekaarten getrokken.

Aan de finish worden punten verdeeld volgens de uitslag. De kopman speelt voor het klassement van de gele trui, daarnaast worden de punten van elke ploeg opgeteld voor het ploegenklassement. Na elke etappe worden er ook prijzen in geld uitbetaald

Bergetappen (met mogelijkheid tot risico’s in de afdaling) ,  tijdritten en een klassement voor groene trui en bergen maken het spel compleet.

Het spelbord bevat het parcours van een korte etappe, een lange etappe, een bergetappe, een individuele tijdrit en een ploegentijdrit. Door deze ritten te combineren kunnen zowel kleine als grotere ronden worden verreden.

sp4502

sp4503

sp4504

sp4505

Spelregels :

ALGEMEEN:

Het spel wordt gespeeld door 2 tot en met 6 personen. Elke speler (PLOEGLEIDER) heeft 3
renners; wanneer er 5 of 6 spelers zijn, heeft ieder 2 renners. Van elke ploeg wordt één
renner (d.m.v. een over de rug geplakt no. of ander kenmerk als KOPMAN aangewezen.
Nadat alle kaarten geschud zijn. ontvangt elke ploegleider, wanneer hij 3 renners heeft 10
en wanneer hij 2 renners heeft 8 SNELHEIDS- of cijferkaarten (gedekt).

Hij neemt de kaarten in de hand en is vrij in de keuze welke kaart hij voor een
bepaalde renner wil uitspelen.

VERPLAATSING DER RENNERS:

Dit geschiedt door het uitspelen van een cijferkaart voor de renner, die aan de beurt is en
die daarna het door de kaart aangewezen aantal vakken voorwaarts gaat.

Hij mag ook minder vakken vooruit gaan.
Bij dit voorwaarts gaan moet hij de lijnen volgen en mag over elk ander bezet vak
gaan. doch hierop niet plaatsnemen.

ETAPPE’S:

Vooraf wordt het aantal en de soort der étappe’s. die men wenst te spelen. vastgesteld.

De startplaatsen zijn op het speelbord aangegeven.
Bij de Berg-étappe wordt – kort voorbij de “ravitaillering” – een andere weg gevolgd.

DE START: (eerste étappe)

Ploegleider A speelt een kaart uit en plaatst één van zijn renners op het zoveelste vak
voorbij de startstreep als zijn kaart aanwijst. Daarna volgt ploegleider B dan C enz. Als
ieder één renner geplaatst heeft. vervolgt ploegleider A met zijn 2e renner te plaatsen,
daarna ploegleider B. C. enz. Als men 3 renners heeft, wordt de 3e renner op dezelfde wijze
ingezet.

De renners zijn nu gestart en het peloton is gevormd.
Bij de 2e étappe start als eerste ploegleider B; bij de 3e étappe ploegleider C, enz.

VOLGORDE DER ZETTEN:

De volgende zetten geschieden in een geheel andere volgorde. De renners worden nu nl.
verplaatst in volgorde van hun plaats op de baan.

Dus eerst gaat de voorste renner, dan de volgende en zo vervolgens tot en met de
achterste renner. Dit is een “zettenreeks”. staan 2 of 3 renners gelijk, dan gaat de
binnenbaan vóór.

AANVULLING CIJFERKAARTEN:

Na de start en na iedere zetten-reeks ontvangen de ploegleiders zoveel nieuwe kaarten als
zij hebben uitgespeeld. dus 2 of 3.
Ook na iedere etappe worden de kaarten aldus aangevuld. want men speelt met de
overblijvende kaarten door.

De uitgespeelde kaarten worden apart gehouden en komen dus weer in het spel als
alle andere kaarten uitgespeeld zijn.

TREKKERSVOORDEEL (wieltje-houden):

Voor de renner. die vlak achter (niet naast) een andere renner staat en die – na te zijn
verplaatst – opnieuw achter dezelfde of een andere renner aansluit, mag een kaart met 1
punt minder worden uitgespeeld.

B.v. 6 plaatsen vooruit met een kaart van 5 punten. Hieruit volgt, dat bij de start
nog geen sprake is van enig trekkersvoordeel. Voor renners die op kop of die alleen
rijden moet dus steeds het volle aantal punten worden uitgespeeld.

DE RAVITAILLERING:

Wanneer een renner op één der vakken van de “ravitaillering” plaats neemt (langs de
aangegeven wegen) ontvangt zijn ploegleider zoveel cijferkaarten als het cijfer in dat vak
aangeeft. Deze ploegleider moet dan een gelijk aantal kaarten inleveren.

Hij neemt hiervoor natuurlijk zijn laagste kaarten. Iedere renner mag slechts 1 keer
per étappe ravitailleren. Het trekkersvoordeel geldt voor een renner die op een
ravitailleringsvak plaats neemt én wanneer hij vandaar weer vertrekt, niet.

PECH- EN PREMIEKAARTEN:

Tot het spel behoren een aantal kaarten, welke op de ene helft een voordeel en op de
andere helft een nadeel vermelden. Wordt een renner op één der stervormige vakken
geplaatst, dan mag zijn ploegleider een dergelijke kaart trekken en geldt voor hem de zg.
“premie-kaart”. Bij de afdaling in de bergen geldt echter de “pech-kaart” (zie berg-traject).

DE FINISH:

Zodra een renner de finish gepasseerd is, is de étappe – nadat eerst ook de overige renners
hun laatste zet nog gedaan hebben – geëindigd. (Laatste zettenreeks).

BEZEMWAGEN:

Voor de laatste renner en voor de renner( s), die naast hem staat(n) moet 1 cijferkaart
worden ingeleverd.

GEMAAKTE TIJDEN PER ETAPPE (puntentelling):

De achterste renner krijgt 0 punten. De volgende renners krijgen zoveel punten als zij
vakken voorbij de laatste staan.
Voor een renner die b.v. 3 vakken verder staat, worden 3 punten genoteerd.

De étappe-winnaar krijgt 1 punt extra (bonificatie). De punten, die door de “Kopman” zijn
behaald, worden op de Klassementslijst onder “Trui” geboekt. Hierna worden de punten van
de renners per ploeg bijeengeteld, waardoor het ETAPPE-PLOEGENKLASSEMENT wordt
vastgesteld.

Ook deze punten worden genoteerd op de klassementenlijst.

GELE TRUI en ALGEMEEN PLOEGENKLASSEMENT:

Na het spelen van de tweede (en volgende étappe’s) worden de behaalde punten telkens
tezamen geteld. De ploegleider, die het hoogste totaal voor zijn “Kopman” heeft, is houder
van de GELE TRUI. Hij ontvangt, zolang hij deze trui in zijn bezit houdt, per étappe f 500,-.

Hij voorziet deze renner van het daarvoor bestemde kenteken (gele halskraag),

De ploegleider, die het hoogste puntentotaal voor zijn gehele ploeg beeft, is leider van het
ALGEMEEN PLOEGENKLASSEMENT.

ETAPPE-PRIJZEN (uitbetaling na elke étappe)

Individueel 1. f 1.000,- Ploegenklassement 1. f 1.000,-
2. f 500,- 2. f 500,-

EINDPRIJZEN:
8 étappen 6 étappen 4 étappen

1. f 6.000,- f 4.000.- f 2.000,-
Gele trui 2. f 3.000,- f 2.000,- f 1.000,-
(individueel) 3. f 1.500,- f 1.000,- f 500,-

Algemeen 1. f 10.000,- f 6.000,- f 3.000,-
Ploegen- 2. f 5.000,- f 3.000,- f 1.500,-
klassement 3. f 2.500,- f 1.500,- f 500,-

Berg- 1. f 4.000,- f 2.500,- f 1.500,-
klassement 2. f 3.000,- f 1.500,- f 1.000,-
3. f 1.500,- f 1.000,- f 500,-

HET BERG-TRAJECT:

Volgt een renner (niet verplicht) één of meer stippellijnen, dan slaat hij telkens 2 vakken
over. Voor elke afdaling die op deze wijze plaats vindt, moet echter een z.g. pechkaart
worden genomen.

Tijdens de laatste zetten-reeks in deze berg-étappe (er is dus al een renner de finish
gepasseerd) geldt voor de pechkaart “halve snelheid”: 3 vakken achteruit; en voor
“een beurt wachten”: 6 vakken terug. In het laatste geval mag men echter de
uitgespeelde kaart terugnemen.

TIJDRITTEN- EN ANDERE KLASSEMENTEN:

In de TIJDRIT (individueel) rijdt elke renner alleen en doet achter elkaar 3 zetten, waarna
hij op het aldus bereikte vak blijft staan. Voor iedere renner, die de finish is gepasseerd,
wordt 1 punt extra toegekend.

Zijn ploegleider ontvangt weer 2 of 3 kaarten voor aanvulling.
Trekkersvoordeel geldt hier niet; premie-kaarten evenmin. Overigens dezelfde
bepalingen.

In de PLOEGEN-TIJDRIT rijdt elke ploeg afzonderlijk en gaat alleen over de baan. In totaal
doet men 3 zetten-reeksen. (De kaarten worden telkens aangevuld). Voor de puntentelling
geldt de “tijd” van de achterste renner indien de ploeg niet aaneengesloten
eindigt en van de voorste renner, als de ploeg wèl aaneengesloten aankomt.

Wanneer een ploeg in z’n geheel de finish is gepasseerd krijgt iedere renner 1 punt extra.

Trekkersvoordeel is hier wel van kracht.

GROENE TRUI:

Voor dit klassement worden – wanneer b.v. 12 renners deelnemen – voor de voorste renner
12 punten genoteerd, voor no. 2 11, voor no. 3 10 punten, enz.

BERGKLASSEMENT

Hierbij wordt voor de renners, die de eerste top bereikt hebben of die deze gepasseerd zijn:
1 punt, voor de tweede top: 2 en yoor de derde top: 3 punten berekend.

4 commentaren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>